Menu
JPR Advocaten

Concurrentiebeding, relatiebeding en de schriftelijkheidseis; de Hoge Raad spreekt opnieuw!

Geschreven op 7 april 2017  •  Auteur: Wouter Ribbers
Concurrentiebeding, relatiebeding en de schriftelijkheidseis; de Hoge Raad spreekt opnieuw!

Op 3 maart jl. heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij uitleg geeft over de toepassing van een eerder gegeven regel over de schriftelijkheidseis voor een relatiebeding. Dit arrest is met name van belang als een werkgever een dergelijk beding niet woordelijk in de arbeidsovereenkomst zelf wil opnemen, maar van toepassing wil verklaren door verwijzing naar een ander document. Bijvoorbeeld een personeelsreglement waarin een dergelijk beding is opgenomen. Wijze les: voeg dit document altijd toe aan de getekende arbeidsovereenkomst.

Hoe zat dat al weer met de schriftelijkheidseis?

Om rechtsgeldig een concurrentiebeding overeen te kunnen  komen moet een dergelijk  beding schriftelijk overeengekomen worden. In een eerder arrest heeft de Hoge Raad aangegeven (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:2008:BC0384, Phillips/Oostendorp) dat in de eis van een schriftelijk overeengekomen beding een bijzondere waarborg voor de werknemer is gelegen. Namelijk dat de werknemer de gevolgen van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen. Toch kan volgens de Hoge Raad in dat arrest aan die eis van schriftelijkheid zijn voldaan als het beding niet in de arbeidsovereenkomst zelf is opgenomen. Het mag ook in een ander document zijn opgenomen, waarbij in de arbeidsovereenkomst naar dat andere document wordt verwezen. In dat geval geldt echter wel een bijkomende eis dat:

  1. ofwel in het ondertekende document (de arbeidsovereenkomst) naar het beding is verwezen én het document waarin het beding staat als bijlage bij het ondertekende document is gevoegd;
  2. ofwel de werknemer in het ondertekende document uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij instemt met het concurrentiebeding.

Wat was hiermee nog niet duidelijk?

Op de eerste plaats was niet duidelijk of dit ook zou gelden voor een relatiebeding. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 maart jl. bepaald dat dit ook voor een relatiebeding geldt.

Daarnaast was onduidelijk of in plaats van het als bijlage bijvoegen van het document waarnaar verwezen wordt in de arbeidsovereenkomst het ook voldoende is dat de werknemer dat document waarnaar verwezen wordt al kent bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst waarin daarnaar verwezen wordt.

In de feitelijke situatie die tot dit arrest heeft geleid had de werknemer bewijsbaar eerder dan hij de arbeidsovereenkomst tekende de beschikking over het personeelsreglement waarin het relatiebeding stond. In de arbeidsovereenkomst werd naar dit reglement verwezen en de werknemer verklaarde door ondertekening van de arbeidsovereenkomst dat hij dit reglement kende en ermee akkoord ging. Het was echter niet als bijlage bij de arbeidsovereenkomst gevoegd.

Wat heeft de Hoge Raad nu bepaald?

De Hoge Raad heeft bepaald dat dit niet voldoende is om aan de eerdere bijkomende eis (zie hierboven onder 1) te voldoen. Die eisen worden door de Hoge Raad dus zeer strikt toegepast:

Als in de door de werknemer ondertekende arbeidsovereenkomst staat dat bepaalde arbeidsvoorwaarden, waarin dan het concurrentiebeding staat, van toepassing zijn, deze volgens de tekst van de arbeidsovereenkomst zelfs zijn bijgevoegd, volgens die tekst er onderdeel van uitmaken, werknemer volgens die tekst er kennis van heeft genomen, zelfs volgens die tekst verklaard er akkoord mee te gaan en zelfs zo hij over de tekst van die arbeidsvoorwaarden (in dit geval het personeelsreglement) beschikte dan is toch niet aan de schriftelijkheidseis voldaan als die niet daadwerkelijk bij de ondertekende arbeidsovereenkomst zijn gevoegd!

Wat is de les hieruit voor werkgevers?

Op de eerste plaats dat de grootste zekerheid op toepasselijkheid wordt verkregen door het beding letterlijk in de (schriftelijke en te tekenen) arbeidsovereenkomst op te nemen. Als je al via een verwijzing naar een ander document het beding van toepassing wil verklaren is het beter in de arbeidsovereenkomst op te nemen dat werknemer uitdrukkelijk verklaart dat hij met het daarin opgenomen beding instemt (zie voorwaarde 2 hierboven). Zo niet, dan als minst zekere weg het document waarnaar verwezen wordt altijd –en bewijsbaar door een getekende ontvangstbevestiging- bij de arbeidsovereenkomst voegen.


Wouter Ribbers
Mr. W.W.J. Ribbers

Wouter Ribbers is advocaat bij JPR Advocaten in Doetinchem en werkzaam in het Arbeidsrecht. Zijn specialisaties binnen dit rechtsgebied zijn: CAO-recht, medezeggenschap en individueel- en collectief ontslag. Wouter is sinds 1981 actief als advocaat.

Contact opnemen met JPR

Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: