Een langdurig zieke werknemer houdt veel werkgevers lang in onzekerheid. Komt deze werknemer nog terug? Moet de arbeidsplaats openblijven? En wanneer mag de blik echt op een andere werkgever worden gericht? Als het aan minister Aartsen van Werk en Participatie ligt, komt daar eerder duidelijkheid over. Hij heeft een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend dat kleine werkgevers en middelgrote werkgevers onder voorwaarden de mogelijkheid geeft om al na het eerste ziektejaar volledig in te zetten op het tweede spoor.
Het is meer dan een praktische aanpassing. Het wetsvoorstel raakt aan een belangrijk uitgangspunt van het huidige re-integratiestelsel: terugkeer binnen de eigen organisatie blijft in beginsel twee jaar lang het vertrekpunt. Juist dat uitgangspunt wordt voor kleine en middelgrote werkgevers losser gemaakt.
Wat verandert er?
Onder het huidige stelsel moeten werkgever en werknemer in beginsel gedurende 104 weken blijven inzetten op re-integratie in het eerste spoor. Dat betekent terugkeer in de eigen functie, aangepaste arbeid of ander passend werk binnen de eigen organisatie. Het tweede spoor kan daarnaast worden ingezet, maar neemt het eerste spoor niet zonder meer over. Met name voor kleine en middelgrote werkgevers brengt dat onzekerheid met zich mee, aangezien relatief lang in het re-integratieproces onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheid tot (duurzame) vervanging van de zieke werknemer.
Het wetsvoorstel doorbreekt dat uitgangspunt voor kleine en middelgrote werkgevers. Als het eerste spoor rechtsgeldig wordt afgesloten, hoeft de werkgever de arbeidsplaats niet langer beschikbaar te houden voor de zieke werknemer. Ook niet als die werknemer later in het tweede ziektejaar alsnog volledig herstelt. De loondoorbetalingsverplichting en de verantwoordelijkheid voor re-integratie blijven wel bestaan, maar de focus verschuift dan volledig naar werk buiten de eigen organisatie. In feite wordt een eerder moment gecreëerd waarop terugkeer bij de eigen werkgever niet langer het uitgangspunt is.
Afsluiting van het eerste spoor
Het eerste spoor kan op twee manieren worden afgesloten. De eerste route is gezamenlijke overeenstemming. De instemming van de werknemer moet vrijwillig zijn en schriftelijk worden vastgelegd. Ook moet de werknemer schriftelijk worden gewezen op een bedenktermijn van twee weken.
De tweede route loopt via het UWV. Als werkgever en werknemer het niet eens worden, en de werkgever wil het eerste spoor toch afsluiten, moet de werkgever uiterlijk in de 42e ziekteweek het UWV om toestemming vragen. Dat betekent dat werkgevers al relatief vroeg in het eerste ziektejaar moeten beoordelen of terugkeer binnen de eigen organisatie nog reëel is. Het UWV toetst de volgende onderdelen:
- Kan de werknemer op het moment van beslissen van de aanvraag wegens ongeschiktheid de bedongen arbeid niet verrichten?
- Hebben werkgever en werknemer in het eerste ziektejaar voldoende re-integratie-inspanningen bij de eigen werkgever verricht?
- Is het aannemelijk dat de werknemer niet binnen 13 weken na afloop van het eerste ziektejaar in staat is om eigen werk of zijn eigen werk in aangepaste vorm te verrichten?
Wat zijn de gevolgen voor WIA-aanvraag en ontslag?
Een belangrijk gevolg van het wetsvoorstel zit in de toetsing aan het einde van de wachttijd. Als het eerste spoor rechtsgeldig is afgesloten, wordt de RIV-toets bij de WIA-aanvraag in beginsel beperkt tot de re-integratie-inspanningen in het tweede ziektejaar. In de huidige situatie kijkt het UWV naar de re-integratie-inspanningen door werkgever en werknemer over de volledige wachttijd.
Voor werkgevers maakt dat het traject beter voorspelbaar. Voor werknemers is dat minder vanzelfsprekend. Juist omdat de eerste spoor re-integratie-inspanningen later niet meer volledig onderdeel zijn van de toets, zal veel afhangen van het moment waarop instemming wordt gegeven door de werknemer of een UWV-toestemming wordt verkregen.
Daarnaast introduceert het voorstel een nieuwe ontslaggrond voor situaties waarin het eerste spoor is afgesloten. Ook komt er een nieuw opzegverbod voor werknemers die in het tweede ziektejaar volledig herstellen. Dat laat zien dat het voorstel de onzekerheid voor werkgevers niet volledig wegneemt, maar eerder verplaatst. De werkgever hoeft de plek niet langer vrij te houden, maar kan wel met nieuwe juridische vragen te maken krijgen als de werknemer later herstelt.
Tot slot
Kort samengevat is de richting helder: minder onzekerheid voor werkgevers en minder ruimte voor correctie achteraf. De vraag is wel of die grotere voorspelbaarheid niet deels wordt betaald met een kleinere kans op terugkeer van de werknemer binnen de eigen organisatie.
Dit wetsvoorstel is de tweede stap om de loondoorbetaling bij ziekte beter uitvoerbaar te maken voor werkgevers. Eerder stuurde de minister al een voorstel naar de Raad van State, waarin wordt geregeld dat het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de UWV-toets na twee jaar ziekte. Dit geeft werkgevers meer zekerheid over hun verplichtingen. Het kabinet werkt de komende periode aan aanvullende maatregelen om de loondoorbetalingsperiode bij ziekte verder te verbeteren, met speciale aandacht voor het mkb.
De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2030. Wij houden jullie op de hoogte van de ontwikkelingen van dit wetsvoorstel.
Meer weten?
Wil je meer weten over dit wetsvoorstel of wil je eens sparren? Neem gerust contact met ons op. De arbeidsrechtspecialisten van JPR staan graag voor je klaar.
Vera Rhebergen-Vaags
Eva Lammers