Menu
JPR Advocaten

Assurantieportefeuille is niet overdraagbaar en dus niet verpandbaar

Geschreven op 11 december 2019  •  Auteur: Flip van Huizen
Assurantieportefeuille is niet overdraagbaar en dus niet verpandbaar

In de rechtspraak is al geruime tijd discussie over de vraag of op assurantieportefeuilles een pandrecht kan worden gevestigd. In de volgende casus draait het ook om deze vraag. De ING Bank meende een pandrecht te hebben op een portefeuille van een failliet gegane tussenpersoon. De curator stelt zich op het standpunt dat dergelijke portefeuilles niet vatbaar zijn voor verpanding. Volgens de ING Bank heeft de curator onrechtmatig gehandeld door bij de verkoop van de portefeuille het pandrecht niet te respecteren. De ING Bank wendt zich tot de rechter.

Bij de rechtbank krijgt de ING Bank nul op het rekest. De rechtbank oordeelt dat een assurantieportefeuille niet goederenrechtelijk overdraagbaar is en daardoor niet verpandbaar.

Tegen het vonnis van de rechtbank is sprongcassatie ingesteld.

De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

In essentie op basis van dezelfde argumentatie als de advocaat-generaal oordeelt de Hoge Raad dat een assurantieportefeuille niet overdraagbaar is en dus ook niet verpandbaar.
Het cassatiemiddel ingesteld door de ING Bank valt uiteen in twee vragen.

Kan een assurantieportefeuille als een vermogensrecht worden gekwalificeerd?

Volgens de ING Bank getuigt het oordeel van de rechtbank dat (het recht op) een assurantieportefeuille niet als vermogensrecht kan worden aangemerkt van een onjuiste rechtsopvatting. De bank voert daartoe aan dat artikel 3:6 BW een niet limitatieve opsomming van vermogensrechten geeft. Waar het om gaat is of de assurantieportefeuille, althans het subjectieve recht daarop, als zodanig economische waarde vertegenwoordigt. De vraag moet volgens ING Bank bevestigend worden beantwoord.

Volgens de Hoge Raad moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. et wettelijke stelsel gaat ervan uit dat slechts individuele zaken of vermogensrechten als goed kunnen worden aangemerkt en als zodanig voorwerp kunnen zijn van een goederenrechtelijk recht of een goederenrechtelijke rechtshandeling. Het samenstel van overeenkomsten en goodwill dat wordt aangeduid als een assurantieportefeuille is niet een individuele zaak of een individueel vermogensrecht, ook al wordt het in het economische verkeer als een eenheid beschouwd. Een assurantieportefeuille is daarom niet een goed in de zin van art. 3:1 BW. Dit wordt niet anders doordat afzonderlijke onderdelen van een assurantieportefeuille, zoals vorderingsrechten, goederen zijn. En ook niet doordat de portefeuille als geheel in het economische verkeer een vermogenswaarde vertegenwoordigt en voorwerp kan zijn van een obligatoire rechtshandeling zoals een koopovereenkomst.

Is een assurantieportefeuille overdraagbaar?

De ING Bank stelt dat het oordeel niet juist is dat art. 4:103 lid 4 Wft een regeling geeft voor de verbintenisrechtelijke verhouding tussen een verzekeraar en een assurantietussenpersoon en dat daarin niet de goederenrechtelijke overdracht van assurantieportefeuilles in het algemeen is geregeld. Volgens de ING Bank heeft de rechtbank hiermee miskend dat de in de Wft opgenomen bepalingen uitgaan van overdracht van de assurantieportefeuille als zodanig. Daarnaast stelt de ING Bank dat de rechtbank heeft miskend dat ook een verbintenisrechtelijke overgang op de voet van art. 6:159 BW als overdracht in de zin van art. 3:83 lid 3 BW, art. 3:81 lid 1 BW en art. 3:228 BW heeft te gelden, althans dat deze bepalingen op zodanige overgang analoog van toepassing zijn. Redengevend daarvoor is dat de verzekeringsportefeuille als zodanig vermogenswaarde vertegenwoordigt die door middel van executie kan worden gerealiseerd, aldus de ING Bank. Dat die executie aan beperkingen onderhevig zou zijn omdat medewerking van de verzekeraar en de verzekeringnemer is vereist, doet hieraan volgens het de ING Bank niets af.

De Hoge Raad volgt de ING Bank hierin niet. Omdat een assurantieportefeuille als zodanig niet een goed is in de zin van art. 3:1 BW, is hij niet vatbaar voor overdracht of verpanding. Art. 4:103 lid 4 Wft, dat bepaalt dat een verzekeraar aan een verzoek van een bemiddelaar tot overdracht van diens portefeuille in beginsel moet meewerken, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel en tegen de achtergrond van het wettelijke stelsel van het goederenrecht, moet worden aangenomen dat deze bepaling niet het oog heeft op overdracht in goederenrechtelijke zin, maar op het overdragen van de positie van de assurantietussenpersoon bedoelde samenstel van overeenkomsten en goodwill, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft geen medelijden met de ING Bank

De ING Bank voert aan dat in de praktijk behoefte bestaat aan de mogelijkheid van verpanding van een assurantieportefeuille omdat dit de financierbaarheid van de activiteiten van een assurantietussenpersoon ten goede komt. Daarnaast stelt de bank dat een assurantieportefeuille in de bancaire praktijk ook regelmatig als onderpand dient voor financiering en dat het recht de economische werkelijkheid moet volgen. Dit betoog kan de ING Bank niet baten, nu verpandbaarheid van een samenstel van overeenkomsten en goodwill niet past in het wettelijke stelsel van het goederenrecht.


Flip van Huizen
Flip van Huizen

Flip van Huizen: "Advocatuur doe ik op mijn sloffen, althans dat dacht ik toen ik met de opgedane juridische kennis de universiteit verliet. Weinig is minder waar. Advocaat zijn is een moeilijk en veelzijdig vak. Vanzelfsprekend is juridische kennis...

Contact opnemen met JPR

Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: