Menu
JPR Advocaten

Winkel verliest verzekeringsdekking nadat automatische incasso van de maandpremie mislukt

Geschreven op 10 februari 2017  •  Auteur: Pieter Leerink
Winkel verliest verzekeringsdekking nadat automatische incasso van de maandpremie mislukt

Een winkel in software en computerapparatuur heeft een aantal zakelijke verzekeringen in één pakket ondergebracht bij ASR.

Daartoe behoort ook een inventaris- en goederenverzekering en een bedrijfsschadeverzekering. In de ochtend van 29 augustus 2012 breekt er brand uit in de winkel. De schade bedraagt circa € 100.000,-. ASR keert echter niet uit. Ten tijde van de brand was de premie over de maand juli van € 305,57 nog niet betaald, terwijl deze uiterlijk op 31 juli 2012 aan ASR betaald had moeten zijn. De rechter stelt ASR in het gelijk.

 In de polisvoorwaarden stond de volgende bepaling:

“PREMIEBETALING

1. Premiebetaling

U moet de premie vooruitbetalen, binnen 30 dagen nadat u deze verschuldigd bent. Wanneer er sprake is van betaling in termijnen geldt de genoemde periode voor iedere termijn.

2. Niet betalen van de premie

Als u het totaal verschuldigde bedrag:

- niet volledig betaalt,

- niet op tijd betaalt of

- weigert te betalen,

verlenen wij geen dekking voor gebeurtenissen die plaatsvinden na de termijn van 30 dagen die in lid 1 staat genoemd. U moet het verschuldigde bedrag alsnog betalen.

De dekking gaat weer in 1 dag nadat wij alle verschuldigde bedragen hebben ontvangen en geaccepteerd.”

Met deze bepaling wordt afgeweken van artikel 7:934 BW. In dat artikel staat:

“ Het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. “

Volgens artikel 7:943 lid 3 BW kan van dit artikel niet worden afgeweken indien sprake is van een consumentenverzekering. Hier was echter sprake van een zakelijke verzekering gesloten door een verzekeringnemer (een VOF met twee vennoten) in de uitoefening van zijn bedrijf (de winkel). Het Hof oordeelt dan ook in lijn met de rechtspraak tot heden dat ASR een van de wettekst afwijkende voorwaarde mocht hanteren.

 In de literatuur is echter met kracht van argumenten verdedigd dat alle verzekeringnemers bescherming verdienen tegen plotseling verlies van dekking door de te late betaling van de premie (o.a. door J.H. Wansink, M.L. Hendrikse en P.M. Leerink, zie nader par. 8.4 van Verzekeringsrecht, R&P VR2). Sinds het Rederij Koppe-arrest uit 1949 (NJ 1949/72) bestaat er een breed gedragen rechtsovertuiging dat een verzekeraar de verzekeringnemer die de premie niet op tijd heeft betaald na de vervaldatum eerst dient aan te manen en te waarschuwen alvorens hij een beroep kan doen op schorsing van de dekking of beëindiging van de verzekering. Toch heeft de wetgever in 2006 bij de invoering van titel 7.17 BW een andere keuze gemaakt. Het Gerechtshof durfde het vermoedelijk niet aan om van de bedoeling van de wetgever af te wijken in een casus die zich nog maar 6 jaar na de invoering van deze wet voordeed.

De winkel had gesteld dat het beroep op schorsing van de dekking in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het Hof is streng voor de verzekeringnemer:

 "Bij de toepassing hiervan moet de rechter de nodige terughoudendheid betrachten. Het gaat hier om een bedrijfsverzekering, waarbij in artikel 11 van de polisvoorwaarden voor [appellant1] , een ondernemer, duidelijk omschrijft wanneer deze de premie moet betalen en dat dekking vervalt indien de premie niet binnen 30 dagen na de premievervaldag is betaald. [appellant1] heeft zich op 24 augustus 2012 gerealiseerd en via haar tussenpersoon (die haar zo nodig had kunnen wijzen op de gevolgen hiervan voor de dekking) bevestigd gekregen dat zij door onvoldoende zorg voor een toereikend saldo inmiddels meer dan een maand aan premiebetaling achterliep. Hoewel [appellant1] toen direct tot betaling had kunnen overgaan, heeft zij daarmee, zonder dat was gebleken van een dekkingstoezegging van ASR, gewacht, waarop het risico van brand zich heeft verwezenlijkt. Alle in verband hiermee aangevoerde argumenten zijn reeds eerder verworpen, terwijl ASR niet, alsof artikel 7:934 BW van toepassing was, was gehouden om [appellant1] te attenderen op haar premieachterstand en de gevolgen daarvan. Natuurlijk treft de weigering van de verzekeringsdekking [appellant1] zwaar in haar schade van mogelijk omstreeks € 100.000, maar daar staat tegenover dat het alleen [appellant1] is geweest die tijdige incasso van haar premies onmogelijk heeft gemaakt en bij ontdekking daarvan niet alsnog onmiddellijk heeft betaald. Op grond van al het voorgaande is een beroep van ASR op artikel 11 van de polisvoorwaarden in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar Dit wordt niet anders indien vast zou staan dat [appellant1] de betalingsopdracht aan haar bank zou hebben verstrekt vóór de brand. Niet de opdracht tot betaling maar de creditering van de rekening van ASR met die betaling is, ook in het kader van een beroep op artikel 6:248, lid 2 BW, de relevante omstandigheid."

Hierbij speelt een belangrijke rol dat ASR concreet en met stukken onderbouwd had aangegeven dat ASR tot drie keer toe getracht heeft door automatische incasso de premie verschuldigd over de maand juli te incasseren en wel op 12 juli 2012, 30 juli 2012 en 16 augustus 2012. Op 3 juli 2012 heeft ASR een gedeelte van de maandpremie over juli kunnen incasseren namelijk een bedrag van € 65,51. Uit bankrekeningafschriften van de winkel blijkt dat op al deze data onvoldoende saldo op de rekening aanwezig was. Op 16 augustus 2012 was ook de incasso van de premie over augustus mislukt.

Op 24 augustus heeft de winkelier (appellant 1) contact opgenomen met zijn tussenpersoon over de premiebetaling. De tussenpersoon heeft vervolgens met ASR gesproken en begrepen dat er inderdaad een achterstand was van twee maanden premie.

Naar aanleiding daarvan heeft (het betalingscentrum van) ASR [appellant1] per post een nota d.d. 27 augustus 2012 met een totaal verschuldigd bedrag van € 582,56 (productie 12 bij memorie van grieven) gezonden voor de premies over juli en augustus 2012 met een betalingskenmerk en het verzoek “het verschuldigde bedrag (per de vervaldatum) te voldoen met aangehechte acceptgiro”. De nota noemt geen afzonderlijke vervaldatum. Onderaan de nota staat nog:

“ Belangrijk

Wij maken u erop attent, dat bij schadeverzekeringen de polisvoorwaarden bepalen dat, indien deze nota niet binnen 30 dagen nadat u de premie verschuldigd bent is betaald, u geen enkel recht aan de verzekering kunt ontlenen. De verplichting de premie te betalen blijft bestaan.”

Op 28 augustus 2012 heeft de ondernemer deze nota ontvangen. Op 29 augustus 2012 is dit bedrag van € 582,56 op de rekening van ASR bij geschreven. Volgens de polisvoorwaarden herleeft de dekking dan op de dag na ontvangst van de betaling dus op 30 augustus 2012. Op 29 augustus 2012 in de ochtend vond de brand plaats.

Relevant was nog dat ASR in 2011 maandelijks een acceptgiro voor de maandpremie zond met daarop steeds de eerste dag van de maand als vervaldatum.

In januari 2012 zond ASR een premienota voor het gehele jaar. Daarop heeft de tussenpersoon ASR verzocht de premie maandelijks met automatische incasso te incasseren. ASR verzond geen maandelijkse premienota's.

Wat kunnen we hiervan leren?

Verzekeraars mogen afwijken van art. 7:934 BW in zakelijke verzekeringen. Het risico bestaat dat de rechter hier anders over denkt als zich een casus anno 2017 voordoet. Naar mate de keuze van de wetgever, die tamelijk zwak en weinig specifiek is gemotiveerd in de parlementaire stukken, verder weg ligt zal de rechter meer ruimte voelen om daar van af te wijken.

Van belang is dat verzekeraars hun administratieve proces op orde hebben en achteraf in een voorkomende geval goed gedocumenteerd kunnen reconstrueren wat er precies op welk moment is gebeurd. 

Voor ondernemers en tussenpersonen is het zaak om geen genoegen meer te nemen met dit soort bepalingen in polisvoorwaarden.

Ook als u een machtiging tot automatische incasso afgeeft moet u oplettend blijven: zorg voor voldoende saldo en let goed op eventuele storneringen.

En als u een betalingsregeling treft of betalingstoezegging doet, vraag dan ook expliciet om behoud van dekking en bevestig dat.


Pieter Leerink
Mr. dr. P.M. Leerink

Pieter Leerink is advocaat bij JPR Advocaten in Deventer en werkzaam in het Verzekeringsrecht. Zijn specialisaties binnen dit rechtsgebied zijn: verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht, letselschade en financieel toezicht (Wft). Pieter is sinds 1993 actief als advocaat.

Contact opnemen met JPR

Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: