Menu
JPR Advocaten

Procesrecht

Inleiding

Een groot deel van het recht bestaat uit de rechten en verplichtingen van burger en overheid, het zo-genaamde materiële recht. Daarnaast bestaat procesrecht. Dat regelt onderwerpen als:

• Bevoegdheid rechter;
• Verloop procedure;
• Hoger beroep;
• Tenuitvoerlegging uitspraken.

Advocaten kennen het recht, geven advies en voeren zo nodig een procedure.

In dit stuk wordt het Nederlands burgerlijk procesrecht behandeld. Daarnaast bestaat strafprocesrecht (strafvordering), administratief procesrecht en procesrecht voor bijzondere procedures, zoals onteigening, tuchtrecht en dergelijke.

Het meeste procesrecht staat in de wet. Rechters hanteren daarnaast verschillende procesreglementen, die zijn te vinden op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook allerlei organisatorische informatie.

Rechterlijke organisatie

Er zijn elf rechtbanken, vier gerechtshoven en een Hoge Raad. Procedures beginnen bij de rechtbank.
Iedere rechtbank heeft een kamer voor kantonzaken met een of meer kantonrechters Deze behandelt alle zaken met een vordering van minder dan € 25.000,-- en vorderingen uit consumentenkrediet tot € 40.000,--. Verder behandelt de kantonrechter onder meer alle arbeidszaken, zaken met betrekking tot agentuur en huurzaken ongeacht het belang. Andere zaken worden door de kamer voor burgerlijke zaken van de rechtbank behandeld.

De gerechtshoven behandelen het hoger beroep van uitspraken van de rechtbank (zie hierna).

De Hoge Raad in Den Haag behandelt het beroep in cassatie tegen uitspraken van het gerechtshof en uitspraken van de rechtbank waar geen hoger beroep tegen openstaat (zie hierna).

Advocaat

Een incasso advocaat behandelt geldvorderingen. Een advocaat is verplicht bij procedures bij de rechtbank over gewone geldvorderingen van € 25.000,-- of meer en alle procedures in hoger beroep bij het gerechtshof. Bij de Hoge Raad kunnen alleen gespecialiseerde advocaten bij de Hoge Raad optreden.

Dagvaardingsprocedure

Het burgerlijk procesrecht kent verschillende procedures. Normaal gesproken begint een procedure met een dagvaarding. Deze wordt opgesteld door eiser of diens raadsman en bij de wederpartij bezorgd (“betekend”) door een gerechtsdeurwaarder. De deurwaarder vult in wanneer en aan wie hij het stuk heeft uitgereikt, op welke dag de procedure begint en ondertekent de dagvaarding. De eiser of diens raadsman stuurt de dagvaarding vervolgens naar de rechtbank.
Het opstellen van een dagvaarding luistert nauw. Het procesrecht kent een aantal formaliteiten en termijnen voor dagvaardingen. Een advocaat is daarin gespecialiseerd.

De wederpartij, gedaagde, moet op de in de dagvaarding genoemde datum bij de aangewezen rechter verschijnen. Dat kan bij de kantonrechter in persoon of bij gemachtigde. De kantonrechter houdt daarvoor op vaste tijden een zogenaamde rolzitting. Partijen kunnen hun standpunt daar mondeling uiteenzetten, maar het is van groot belang het verhaal op papier te zetten om te voorkomen dat argumenten niet worden gehoord of verkeerd worden begrepen. Bij de kamer voor burgerlijke zaken van de rechtbank kan alleen een advocaat verschijnen en verloopt de procedure schriftelijk. Dit gebeurt tegenwoordig via een beveiligde website op internet. Verschijnt gedaagde niet en zijn alle formaliteiten en termijnen in acht genomen, dan verleent de rechter verstek en wordt de vordering in de regel zonder meer toegewezen. Alleen in procedures tegen consumenten beoordeelt de rechter of de vordering niet in strijd is met dwingende wetsbepalingen. Verschijnt gedaagde wel, dan moet hij in een procedure bij de kamer voor burgerlijke zaken van de rechtbank binnen vier weken het griffierecht betalen. Bij de kantonrechter is alleen eiser griffierecht verschuldigd. Heeft gedaagde op tijd het griffierecht betaald dan kan hij verweer voeren. Dit processtuk heet conclusie van antwoord. Vervolgens bepaalt de rechter of er een mondelinge behandeling (“comparitie van partijen”) komt. Na afloop van de mondelinge behandeling bepaalt de rechter of en zo ja wanneer partijen nog een processtuk mogen indienen of dat hij uitspraak zal doen (vonnis wijst).

Als er geen mondelinge behandeling plaatsvindt, mag eiser een zogenaamde conclusie van repliek indienen. Vervolgens mag gedaagde een conclusie van dupliek indienen. Indien daar bewijsstukken (“producties”) bij zitten mag eiser daar nog schriftelijk op reageren. Partijen hebben vervolgens nog de mogelijkheid hun zaak mondeling te bepleiten. Dit gebeurt slechts zelden. Aan het eind van de procedure wijst de rechter vonnis. Dit kan een tussenvonnis zijn, waarin bijvoorbeeld aan een van partijen bewijs wordt opgedragen. In dat geval kunnen getuigen worden gehoord. Ook kan de rechter advies aan een deskundige vragen. Partijen mogen schriftelijk op de uitkomsten van het getuigenverhoor of het rapport van de deskundige reageren. Vervolgens wijst de rechter vonnis. Hier zijn alleen de hoofdlijnen weergegeven. Het procesrecht kent nog een aantal bijzondere procedures en zogenaamde incidenten. Een advocaat weet daar alles van.

Tegenvordering

Als gedaagde van zijn kant een vordering op eiser wil instellen moet hij dat bij conclusie van antwoord doen. Dat heet een vordering in reconventie. De oorspronkelijke procedure wordt aangeduid met conventie. De wederpartij (gedaagde in reconventie) mag een conclusie van antwoord in reconventie indienen. De tegenvordering houdt meestal verband met de vordering van eiser (de vordering in conventie), maar dat is niet noodzakelijk. In de regel beslist de rechter tegelijk op beide vorderingen. Hij mag de zaken echter ook splitsen. Voor de vraag of hoger beroep kan worden ingesteld worden de vorderingen in conventie en reconventie opgeteld.

Vrijwaring

Als gedaagde meent dat een derde hem moet vrijwaren tegen de vordering van eiser kent het procesrecht de mogelijkheid van een procedure in vrijwaring. Een bekend voorbeeld isde verkoper, die zijn leverancier aansprakelijk wil stellen voor een claim van zijn koper. Als de rechter dat toestaat kan gedaagde de derde dagvaarden in vrijwaring. Het voordeel is dat de rechter dan tegelijk de hoofdzaak en de vrijwaring behandelt en gedaagde de vordering van eiser direct kan doorschuiven naar de derde. Indien de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen wordt de vordering in vrijwaring automatisch ook afgewezen. Om te voorkomen dat partijen in de vrijwaring tegen het einde van de beroepstermijn in de hoofdzaak in de knel komen is de termijn voor hoger beroep in de vrijwaring verlengd tot de datum waarop de Memorie van Antwoord in hoger beroep (zie hierna) wordt ingediend.

Verzoekschriftprocedure

Het procesrecht kent ook procedures die met een verzoekschrift beginnen. Voorbeelden zijn de ontbinding van een arbeidsovereenkomst en veel procedures in het familierecht (echtscheiding, alimentatie, omgangsregeling) en het erfrecht.
Sommige verzoeken zijn vrij eenvoudig, maar meestal is het opstellen van het verzoekschrift ingewikkeld genoeg om een advocaat in te schakelen. Dit is bij de kantonrechter niet verplicht, maar bij de kamer voor burgerlijke zaken van de rechtbank en de voorzieningenrechter van de rechtbank wel.

De verzoeker (meestal: diens raadsman) stelt het verzoekschrift op en dient dat in bij de rechtbank. De rechtbank stuurt een afschrift per aangetekende brief aan alle belanghebbenden. Wie dat zijn verschilt per procedure. Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen. Bij de kantonrechter is alleen verzoeker griffierecht verschuldigd; bij de rechtbank beide partijen. Een belanghebbende kan in het verweerschrift een zelfstandig tegenverzoek doen. Dit moet echter op hetzelfde terrein als het oorspronkelijke verzoek liggen.
Meestal wordt een mondelinge behandeling gehouden. Na afloop geeft de rechter een beschikking.

Kort geding

Soms kan men niet wachten op de uitkomst van een gewone procedure (bodemprocedure). Het procesrecht biedt de mogelijkheid een kort geding te voeren bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Een kort geding begint altijd met een dagvaarding. Vervolgens wordt op (zeer) korte termijn een mondelinge behandeling gehouden. Gedaagde kan alleen op die zitting mondeling verweer voeren (al zal iedere advocaat dat verweer op papier zetten). De rechter doet snel uitspraak. Normaal kan eiser met enkele weken terecht, maar in echt spoedeisende zaken kan het nog sneller (mijn record staat op vier uur). Getuigen worden niet gehoord. De rechter geeft een zogenaamde voorlopige voorziening. Soms is er echter weinig voorlopigs aan. Partijen hebben het recht daarna alsnog een gewone procedure (bodemprocedure) te voeren. In de praktijk komt het daar meestal niet van. De rechter in de bodemprocedure is niet gebonden aan de uitspraak in kort geding. Een uitspraak in kort geding verliest zijn kracht zodra in een bodemprocedure is beslist. Tegen de uitspraak in kort geding staat gedurende vier weken hoger beroep bij het gerechtshof open.

Verzet

De gedaagde in een dagvaardingsprocedure die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis verzet doen. Dit gebeurt bij dagvaarding. Daarin staat wat anders dan in de conclusie van antwoord staat inclusief een eventuele tegenvordering. De procedure verloopt verder op dezelfde wijze. In verzoekschriftprocedures kent het procesrecht niet de mogelijkheid van verzet.

Hoger beroep

Als een partij het met de uitspraak niet eens is kan zij in hoger beroep gaan. Is de vordering in een dagvaardingprocedure echter lager dan € 1.750,-- dan is hoger beroep niet mogelijk. Tegen tussenvonnissen is hoger beroep alleen tegelijk met de einduitspraak mogelijk, tenzij de rechter daarvoor apart verlof verleent. In verzoekschriftprocedures staat alleen tegen de eindbeschikking hoger beroep open. Verder zijn een aantal uitspraken uitgezonderd van hoger beroep.

Ieder gerechtshof heeft een werkgebied (“ressort”) met een aantal rechtbanken waarvoor het bevoegd is. Voor de rechtbanken Overijssel en Gelderland is dat bijvoorbeeld het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De normale termijn voor hoger beroep is drie maanden.

In een dagvaardingprocedure wordt hoger beroep ingesteld door het uitbrengen (betekenen) van een dagvaarding. Daar behoeft alleen maar in te staan wanneer de wederpartij (“geïntimeerde”) bij het gerechtshof moet verschijnen en wat de appellant wil dat het gerechtshof uitspreekt. De inhoudelijke bezwaren (“grieven”) tegen het vonnis kunnen in de dagvaarding staan, maar worden meestal pas opgeschreven in de zogenaamde Memorie van Grieven. Als geïntimeerde verschijnt en op tijd het griffierecht betaalt kan hij verweer voeren in een zogenaamde Memorie van Antwoord. Is geïntimeerde het ook niet eens met het vonnis kan hij in die Memorie van Antwoord van zijn kant ook hoger beroep instellen, ook al is de termijn daarvoor verstreken en zelfs als hij in het vonnis had berust. Dit heet incidenteel hoger beroep; het oorspronkelijke beroep heet het principaal hoger beroep. In dat geval kan de wederpartij een Memorie van Antwoord in het incidenteel hoger beroep indienen. Een mondelinge behandeling vindt alleen plaats als het gerechtshof dat nodig vindt. De uitspraak in hoger beroep heet een arrest.
In verzoekschriftprocedures stelt een advocaat hoger beroep in door middel van een verzoekschrift bij het gerechtshof. Daarbij moeten alle processtukken van de procedure bij de rechtbank worden gevoegd. Hier moeten wel direct alle bezwaren (“grieven”) tegen de beschikking van de rechtbank worden opgegeven. Het gerechtshof stuurt een afschrift van het beroepschrift aan alle belanghebbenden die bij de rechtbank zijn verschenen. Deze kunnen een verweerschrift indienen. Er volgt steeds een mondelinge behandeling, waarna het gerechtshof bij beschikking uitspraak doet.

Beroep in cassatie

Tegen uitspraken van de rechtbank waar geen hoger beroep openstaat en uitspraken van het gerechtshof staat beroep in cassatie bij de Hoge Raad open. In dagvaardingsprocedures gebeurt dit met een dagvaarding; in verzoekschriftprocedures met een verzoekschrift. In beide stukken moeten de zogenaamde middelen van cassatie zijn opgenomen. Daarin staat wat de rechter verkeerd zou hebben gedaan en waarom. De Hoge Raad beoordeelt alleen of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast en zijn uitspraak begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hij beperkt zijn onderzoek tot de in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten. Als hij meent dat de zaak niet belangrijk genoeg is kan hij het beroep zonder enige motivering direct niet ontvankelijk verklaren. In een dagvaardingprocedure dient verweerder een korte conclusie van antwoord in, waarbij hij desgewenst ook van zijn kant beroep in cassatie kan instellen (incidenteel beroep). Hetzelfde kan de verweerder in de verzoekschriftprocedure bij verweerschrift doen. In de dagvaardingsprocedure kunnen partijen de zaak vervolgens schriftelijk toelichten (wat meestal gebeurt) of mondeling bepleiten. Vervolgens schrijft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een advies (“conclusie”). Partijen mogen daar binnen 14 dagen kort op reageren. De uitspraak is in een dagvaardingsprocedure een arrest en in een verzoekschriftprocedure een be-schikking. Als de Hoge Raad het beroep gegrond oordeelt vernietigt hij de uitspraak en verwijst hij de zaak naar een gerechtshof om verder te behandelen. Als de zaak zonder enig onderzoek naar de feiten kan worden beslist doet de Hoge Raad de zaak zelf af.

Dwangsom

Het procesrecht omvat de mogelijkheid van oplegging van een dwangsom. Dit is een bedrag dat de veroordeelde partij aan de wederpartij moet betalen als zij niet voldoet aan de uitspraak. Dit kan zowel een verbod als een gebod zijn. De rechter kan daarbij een termijn bepalen. Een dwangsom kan ook in kort geding en in een arbitrage worden opgelegd. Een vonnis met een dwangsom kan alleen in hoger beroep ongedaan worden gemaakt. Dit betekent dat een eenmaal verbeurde dwangsom verbeurd blijft ook als de rechter in een bodemprocedure anders beslist.

Proceskosten

Procederen kost geld. De deurwaarder kost geld, de advocaat kost geld en bij de rechter moet griffierecht worden betaald voordat de zaak in behandeling wordt genomen. Het procesrecht kent daarom regels voor de proceskosten.

Als regel veroordeelt de rechter de verliezer in de proceskosten. De vergoeding voor de kosten van de advocaat is echter een forfaitair bedrag. De rechter hanteert daarvoor een tarief (het zogenaamde “liquidatietarief”) afhankelijk van het aantal proceshandelingen en het geldelijk belang. Dit bedrag staat meestal in geen verhouding tot de werkelijke rekening van de advocaat. Als beide partijen deels gelijk deels ongelijk hebben en in procedures tussen familieleden bepaalt de rechter dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Een procespartij krijgt dus geen volledige vergoeding van de kosten van een procedure. Alleen in zaken over intellectuele eigendom bestaat wel recht op volledige vergoeding. Dit betreft zaken over bijvoorbeeld auteursrecht, merkenrecht, octrooien, kwekersrecht en beschermde tekeningen en modellen.

Tenuitvoerlegging (executie)

Het procesrecht kent ook regels voor het leggen van beslag: zie beslaglegging.

Als een uitspraak vatbaar is voor tenuitvoerlegging, bijvoorbeeld een veroordeling tot betaling van een geldsom, is deze meest uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd totdat deze in verzet (bij een verstekvonnis), hoger beroep of cassatie wordt vernietigd. Als dat gebeurt is de executant zonder meer aansprakelijk voor de (eventuele) schade en moet hij terugbetalen wat hij ten onrechte heeft geïncasseerd. Hij wist immers dat de uitspraak niet onherroepelijk was.

JPR

Procesrecht is een vak. Soms ontkomt u niet aan een procedure. Wij helpen u graag.

Meer weten over onze dienstverlening?
Neem contact op
Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: