Menu
JPR Advocaten

Bedrijfstakpensioenfonds

De pensioenwet kent verschillende uitvoerders van pensioenregelingen.
Eén daarvan is het bedrijfstakpensioenfonds. Dit is een pensioenfonds ten behoeve van één of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak. U kunt daarbij denken aan:
- Detailhandel
- Landbouw
- Vervoer
- Metaal (Metalektro (groot metaal/metaalindustrie) en Metaal & Techniek (klein metaal/metaalnijverheid)
- Bouw (-nijverheid)
- Agrarische en voedselvoorzieningshandel
- Medewerkers notariaat
- Koopvaardij.

Pensioenfondsen hebben de rechtsvorm van een Stichting.

Krachtens de wet Bpf 2000 (voluit: wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000) kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds verplichtstellen. De verplichtstelling geldt dan voor alle werknemers die werkzaam zijn in de betreffende bedrijfstak.

Regelmatig spreken wij ondernemers die ogenschijnlijk vanuit het niets worden aangesproken door een bedrijfstakpensioenfonds ter zake verplichte deelneming.

De gevolgen kunnen verstrekkend zijn. U moet met terugwerkende kracht alsnog premie betalen. De statutair bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de premieachterstand. Dit terwijl doorgaans bij een andere uitvoerder (verzekeraar) het pensioen is ondergebracht.
Dit zou in het ergste geval een (meer dan) dubbele premielast betekenen, terwijl het niet zonder meer mogelijk is de werknemer nog het werknemersdeel te laten betalen.

De oplossing is vaak een vrijstelling met terugwerkende kracht. De bestaande regeling met de verzekeraar dient dan op het niveau van de verplicht gestelde regeling te worden gebracht. Uiteraard brengt dit ook aanzienlijke kosten met zich, maar vaak kan de schade dan nog enigszins worden beperkt.

Tegen voornoemde achtergrond is het noodzaak van tijd tot tijd na te gaan of u onder de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds valt. Deze noodzaak is in ieder geval aanwezig indien u uw activiteiten verandert.

Toepasselijkheid van een (algemeen verbindend verklaarde) cao is doorgaans een indicatie dat binnen uw bedrijfstak ook een Bpf verplicht is gesteld. Het is wel van belang steeds het verplichtstellingsbesluit te vergelijken met de werkingssfeer van de cao. Deze kunnen namelijk verschillen. Dus zonder cao kan wel sprake zijn van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioen en andersom.

Bij fusies en overnames dient u ook altijd rekening te houden met eventueel verplichtstellingen en mogelijk daarop verleende vrijstellingen. Een fusie of overname kan betekenen dat uw onderneming opeens wel onder de reikwijdte van de verplichtstelling valt. Een in het verleden verleende vrijstelling gaat niet in alle gevallen vanzelf mee over. Dit is sterk afhankelijk van de achtergronden.

Bent u beroepsbeoefenaar (tandarts, huisarts, dierenarts) dan moet u er als ondernemer rekening mee houden dat u zelf valt onder een verplicht gestelde beroepspensioenregeling.

Indien u werkzaam bent in bijvoorbeeld Landbouw, Detailhandel, Vervoer Metaal, Bouw, Agrarische en Voedselvoorzieningshandel, Koopvaardij of u bent bijvoorbeeld één van de medewerkers in het notariaat dan kan het goed zijn dat u pensioenaanspraken opbouwt bij een bedrijfstakpensioenfonds.

In veel gevallen is sprake van verplichte deelname. Bij verplichte deelname kan vrijstelling worden gevraagd, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarde is dat uw werkgever voor u een vergelijkbare regeling als alternatief moet hebben gesloten.

Het gebeurt regelmatig dat uw werkgever niet weet dat hij verplicht moet deelnemen aan een bedrijfstakpensioenfonds. De oorzaak is vaak dat in de loop van de tijd de activiteiten van de onderneming zijn veranderd.

Ook als uw werkgever ergens anders pensioen heeft opgebouwd kunt u aanspraak maken op pensioen bij het bedrijfstakpensioenfonds. Het recht op pensioen volgt immers uit de verplichtstelling. Of al dan niet premie voor is betaald is niet van belang.

Het beoordelen of een werkgever onder verplichtstelling valt is niet altijd even eenvoudig. Bedrijfstakpensioen gaan uit van de SBI-codes in het handelsregister. Deze SBI-codes sluiten niet altijd naadloos aan bij de statutaire doelomschrijving van de vennootschap.
De statutaire doelomschrijving dekt bovendien vaak niet de feitelijke activiteiten. Uiteindelijk zijn deze feitelijke activiteiten doorslaggevend.

Het niet van toepassing zijn van een bepaalde cao of een indeling in een bepaalde sector door de belastingdienst levert geen zelfstandig argument op om aan de verplichtstelling te ontkomen. Wel kunnen het indicatoren zijn bij de beoordeling van een verplichtstelling.

De belangen bij een discussie over een verplichtstelling zijn groot. Het pensioenfonds kan immers overgaan tot aansluiting met terugwerkende kracht. Zij kan dan ook met terugwerkende kracht alle premies vorderen. Bij een geslaagd beroep op verjaring blijven dan nog altijd vijf premiejaren over.
Waarbij directe aansluiting werknemerspremies kunnen worden ingehouden op het salaris is dit bij een aansluiting met terugwerkende kracht (bijna) niet mogelijk.

Over al dan niet verplichte aansluiting worden veel procedures gevoerd. Deze procedures volgen vaak op een langdurig schriftelijke discussie tussen partijen. Bij deze procedures speelt bewijslast en verdeling van de bewijslast een belangrijke rol. Uitgangspunt is dat het bedrijfstakpensioenfonds als eiser zal moeten stellen en bewijzen dat de werkgever verplicht dient deel te nemen. De onderneming dient evenwel beslissende gegevens aan te leveren, waarover uitsluitend de ondernemer beschikt. Indien de ondernemer deze gegevens niet kan aanleveren, mag het Bpf van de voor de ondernemer meest ongunstige situatie uitgaan.

Als afgeleide van de discussie over de verplichtstelling volgt doorgaans een onderzoek naar aansprakelijkheid van in het verleden betrokken adviseurs. Bij het advies om een pensioen onder te brengen bij een verzekeraar moet ook een onderzoek plaatsvinden naar een eventuele verplichtstelling. Onder omstandigheden kan de adviseur aansprakelijk worden gesteld wegens schending van de zorgplicht voor de schade die is ontstaan.

De adviseur verweert zich vaak achteraf met de stelling dat de werkgever bij het traject tot aansluiting met terugwerkende kracht, onvoldoende heeft gedaan om haar schade te beperken. Door de adviseur direct aansprakelijk te stellen en op de hoogte te houden, kan dit verweer worden voorkomen. Veel adviseurs blijken bovendien in de praktijk bereid om zelf het traject te begeleiden om te komen tot een aansluiting of vrijstelling met terugwerkende kracht. Dit bespaart dan ook kosten.

Aansluiting met terugwerkende kracht, betekent ook dat de eerder gesloten pensioenverzekering dient te worden beëindigd. De gevolgen van partnerpensioen blijven vaak onderbelicht. Bij een partnerpensioen op risicobasis worden doorgaans uitsluitende pensioenaanspraken verworven vanaf het moment van deelname aan de regeling. Dit kan tot gevolg hebben dat de aanspraak op partnerpensioen aanzienlijk lager wordt.

Meer weten over onze dienstverlening?
Neem contact op
Alle advocaten binnen het rechtsgebied Pensioenrecht
Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: