Menu
JPR Advocaten

Wet bestuur en toezicht

Geschreven op 8 juni 2012  •  Auteur:
Wet bestuur en toezicht

(Dit artikel is opgenomen in het magazine ‘Kijk op Oost Nederland’ van mei/juni 2012.)

Naar verwachting zal op 1 juli 2012 de Wet Bestuur en Toezicht in werking treden. Met name voor BV’s en NV’s zal deze wet gevolgen hebben voor de wijze waarop zij hun interne organisatie kunnen respectievelijk behoren in te richten.

De meest in het oog springende verandering is de mogelijkheid voor BV’s en NV’s om de Raad van Commissarissen te laten integreren in de Raad van Bestuur. Zelfs indien er niet meer dan een bestuurder en commissaris is, kan hiervoor worden geopteerd. In plaats van een dualistische structuur spreekt men dan van een monistische structuur. De (voormalige) bestuurders en commissarissen behouden in de monistische structuur wel hun taak, doch deze is verpakt in een andere organisatievorm. Om dit onderscheid tussen de bestuurders duidelijk te maken, spreekt men wel van uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Omdat de taakinvulling inhoudelijk niet (veel) wijzigt, kan men zich afvragen waarom men hiervoor zou willen kiezen. De wenselijkheid hiervan komt uit de praktijk. Kennelijk is er – met name vanuit een Angelsaksische stroming – behoefte aan een directere betrokkenheid van de toezichthouders bij de besluitvorming. De gedachte is dat daarmee de kwaliteit en snelheid van de besluitvorming gebaat zal zijn. Het overgrote deel van de kleinere BV’s en NV’s zullen hier dan waarschijnlijk ook niet voor gaan kiezen, omdat het verschil met de huidige werkwijze (nagenoeg) nihil zal zijn. Op welke wijze het monistische systeem ook gevolgen zal hebben voor de vraag wanneer uitvoerende en met name niet-uitvoerende bestuurders aansprakelijk zijn voor hun handelen of nalaten, zal moeten worden gewacht totdat de rechter zich daarover zal hebben uitgelaten. Niettemin bestaat de verwachting dat, vanwege de directere betrokkenheid bij de besluitvorming, aan de niet-uitvoerende bestuurders hogere eisen zullen worden gesteld dan die thans gelden voor commissarissen.

Voor alle BV’s en NV’s, derhalve ook indien deze niet hebben geopteerd voor de monistische structuur, wordt de tegenstrijdig belangregeling gewijzigd. De aanpassingen komen paradoxaal over. Immers, voor de interne besluitvorming bij tegenstrijdig belang worden de regels aangescherpt, terwijl tegelijkertijd de mogelijkheid om rechtshandelingen aan te tasten in geval er sprake is van tegenstrijdig belang nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. De tegenstrijdig belangregeling die thans in de statuten van uw vennootschap staat weergegeven, is gebaseerd op de huidige regelgeving. De kans is groot dat die regeling in strijd is met de komende Wet Bestuur en Toezicht. Daarin wordt namelijk aangegeven dat een bestuurder – uitvoerend of niet-uitvoerend – en/of commissaris in het geheel niet bij de besluitvorming betrokken mag zijn, indien zijn belangen (mogelijk) conflicteren met het belang van de vennootschap. Indien daardoor de vennootschap niet door het bestuur kan worden vertegenwoordigd, zal de raad van commissarissen – indien deze er is – die bevoegdheid verkrijgen. Bij tegenstrijdig belang bij de commissarissen, zal de algemene vergadering van aandeelhouders tot slot vertegenwoordigingsbevoegd zijn, tenzij in de statuten een afwijkende regeling is opgenomen. Ondanks deze regelgeving blijft de bestuurder bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen. Echter, indien hij dat doet terwijl er sprake is van een tegenstrijdig belang, kan de vennootschap het onderliggende besluit alsnog vernietigen en de bestuurder persoonlijk aanspreken voor de eventueel door de vennootschap daardoor geleden schade. Daarmee wordt de tegenstrijdig belangregeling meer een interne aangelegenheid. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is dat wenselijker dan de huidige regeling, waarbij de wederpartij van de vennootschap er ook mee geconfronteerd kan worden dat een rechtshandeling – zoals een koopovereenkomst – ongedaan moet worden gemaakt.

Een geheel andere wijziging betreft de wenselijkheid van de wetgever om een betere verdeling tussen mannen en vrouwen aan te brengen in bestuursfuncties en commissariaten. Op dit moment is het aantal vrouwen ondervertegenwoordigd in deze functies. De Wet Bestuur en Toezicht streeft naar een zodanige verdeling dat tenminste 30% vrouw is in elke Raad van Bestuur of Raad van Commissarissen. De wijze waarop de wet dit beoogt, is wel bijzonder te noemen. Immers, sancties tegen een (blijvende) onderverdeling zijn er niet. Er dient in dat geval slechts in het jaarverslag te worden opgenomen waarom er nog steeds sprake is van een onderverdeling, alsmede wat er gedaan is en wat er nog zal worden gedaan om tot een betere verdeling te komen. De wetgever gaat hier kennelijk uit van een vrijwillige emancipatie. Naar verwachting zal de praktijk weerbarstiger zijn en zal er van het streven van de wetgever vermoedelijk weinig terecht komen.

Voorts wordt het aantal functies van bestuurders en commissarissen wettelijk beperkt. Daarmee wordt het onmogelijk gemaakt dat een persoon tegelijkertijd meer dan een wettelijk verankerd aantal bestuursfuncties –uitvoerend en niet-uitvoerend - en/of commissariaten vervuld bij grote vennootschappen. De achterliggende gedachte is te prijzen. Voor een behoorlijke taakvervulling is het noodzakelijk dat je aandacht niet teveel verdeeld is. Dit geldt zeker bij de grote vennootschappen, waarbij de belangen van een goede besluitvorming ook over het algemeen groter zijn.

Voor bestuurders van grote vennootschappen geldt tot slot dat zij bij (her)benoeming na de inwerkingtreding van de Wet Bestuur en Toezicht niet automatisch ook als werknemer in dienst treden. Dit vergemakkelijkt het ontslag van deze bestuurders en het is ook de bedoeling dat het daardoor eenvoudiger wordt om de ontslagvergoeding van deze bestuurders bij vertrek te beperken.



Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: