Menu
JPR Advocaten

Is onder ‘opzet’ in de zin van art 7:930 lid 5 ook ‘voorwaardelijke opzet’ begrepen?

Geschreven op 31 januari 2018  •  Auteur: Bart Holthuis
Is onder ‘opzet’ in de zin van art 7:930 lid 5 ook ‘voorwaardelijke opzet’ begrepen?

Deze vraag werd door de Rechtbank Midden Nederland in lijn met de jurisprudentie (Hoge Raad, 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507), maar anders dan in de literatuur door sommige schrijvers en rechters (Verzekeringsrecht, Prof. Dr. Hendrikse c.s.,  2015, 11.5.3, p. 386 t/m 388; Asser-Hartkamp-Sieburgh 6-III,p. 207;Geschillencie. Kifid 2010/59, 2010/200 en 2011/5) wordt betoogd, ontkennend beantwoord. De Rechtbank wijst op het vergaande gevolg van opzet tot misleiding door de verzekerde:

“Mede gelet op de tussen de artikelen 7:928 BW en 7:930 BW bestaande samenhang dient onder opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW te worden verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507). Er is met andere woorden slechts sprake van het opzet om te misleiden indien de mededelingsplicht is geschonden met de bedoeling om de verzekeraar op het verkeerde been te zetten teneinde een (hogere) uitkering te krijgen. Daarbij is geen ruimte voor voorwaardelijk opzet. Het vergaande gevolg dat aan het handelen met opzet tot misleiding wordt verbonden – verval van het recht op uitkering – rechtvaardigt dat strenge eisen mogen worden gesteld aan de vaststelling of het handelen van de verzekerde was ingegeven door het opzet tot misleiden van de verzekeraar.”



Deze uitspraak is ook interessant omdat de Rechtbank een deel van de definitie van arbeidsongeschiktheid – een primaire dekkingsbepaling – als onduidelijk geformuleerd beoordeelde.

Volgens de polisvoorwaarden was ook gedekt:
“Indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een psychiatrische ziekte met een GAF-score van 1 tot 50 zoals gespecificeerd binnen de laatste bekende DSM-classificatie. Deze psychiatrische ziekte dient definitief gediagnosticeerd te zijn binnen de laatst bekende DSM-classificatie door een door de verzekeraar aan te wijzen onafhankelijke psycholoog of psychiater. De oorzaak van de psychiatrische ziekte dient in de periode na de ingangsdatum van deze verzekering te liggen.”



Onder verwijzing naar het Van Hove-arrest (HvJ EU, 23 april 2015, ECLI:EU:C:2015:262) oordeelde de Rechtbank dat hoewel de bepaling taalkundig duidelijk was, een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument niet weet en evenmin behoort te weten wat “een GAF-score van 1 tot 50 zoals gespecificeerd binnen de DSM-classificatie” inhoudt, althans dat deze het effect daarvan op de omvang van de dekking niet kan overzien en dus de economische gevolgen van de beperking niet kan inschatten.

Bijstand van een tussenpersoon bij het tot stand komen van de verzekeringsovereenkomst maakte in dit opzicht niet het verschil. Die is immers evenmin medisch deskundig:
“Nu een assurantietussenpersoon evenmin deskundig is op medisch gebied, kon en mocht in het onderhavige geval niet van hem verwacht worden dat hij [eiser] zou wijzen op de gevolgen van de dekking volgens “een GAF-score van 1 tot 50 zoals gespecificeerd binnen de DSM-classificatie”. Daar komt nog bij dat uit de Beleidsregel Informatieverstrekking van het AFM van september 2013 - die ook in het onderhavige geval bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering via een assurantietussenpersoon van toepassing is - volgt dat de consument weliswaar correct moet worden voorgelicht over een financieel product (waaronder ten aanzien van de elementen die de hoogte van de premie bepalen en de gebeurtenissen die gevolgen hebben voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering), maar niet dat deze informatieplicht zo ver strekt dat van een tussenpersoon verwacht mag en kan worden dat hij medisch is onderlegd, althans een consument uitleg kan geven over de systematiek van de GAF-score binnen de DSM-classificatie en de gevolgen hiervan voor de dekking van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.”

De vraag of het niet op de weg van de tussenpersoon had gelegen bij de verzekeraar om opheldering te vragen, kwam in deze casus niet aan de orde, maar is mijns inziens niet zonder meer ontkennend te beantwoorden.

Voor het volledige vonnis lees hier


Bart Holthuis
Mr. B. Holthuis

“In de ruim 35 jaar die ik nu werkzaam ben als advocaat heeft het vakgebied aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht grote ontwikkelingen doorgemaakt. In de loop der tijd is mijn vak inhoudelijker en specialistischer geworden. Het contact met mensen blijft voor mij essentieel, door je alleen op de inhoud te concentreren win je geen zaken. Veel van mijn tijd besteed ik aan het adviseren van grote verzekeringsbedrijven. De probleemstelling in kaart brengen en verwachtingen van onze klanten managen zijn van groot belang.

 Door mijn interesse voor cultuur en muziek neem ik deel aan diverse besturen in deze sector. Ik voel mij betrokken bij de stad en ben geïnteresseerd in de sociaaleconomische ontwikkeling van Deventer. Tevens ben ik voorzitter geweest van de Compensatiecommissie van de Rooms Katholieke Kerk, intrigerende werkzaamheden met een grote emotionele impact op alle betrokkenen.”

Over Bart

Vanaf 1980 is Bart actief als advocaat en sinds 1987 partner. Van 2008 tot 2015 is hij voorzitter geweest van het Dagelijkse Bestuur van JPR Advocaten. Bart vindt betrokkenheid, goede communicatie en samenspraak met de klant belangrijk.

Contact opnemen met JPR

Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: