Menu
JPR Advocaten

Hoge Raad doet uitspraak in een verzekeringsrechtelijke verjaringszaak

Geschreven op 23 december 2015  •  Auteur: Kees Engel
Hoge Raad doet uitspraak in een verzekeringsrechtelijke verjaringszaak

Casus

Eiser en zijn voormalige partner hebben sinds 2003 een woonhuisverzekering bij Allianz. Het verzekerde bedrag bedraagt € 242.300,--.

Op 1 maart 2004 woedt er brand in de woning van eiser. Er ontstaat schade.

Allianz vermoedt brandstichting door eiser en doet daarom een beroep op art. 294 K. (oud) alsmede op de verzekeringsvoorwaarden. Hiervan heeft Allianz bij brief van 13 mei 2004 aan eiser mededeling gedaan.

Op 11 juni 2004 beëindigt Allianz de woonhuisverzekering.

Bij brief van 23 september 2004 betwist eiser dat hij brand heeft gesticht. Hij eist dat Allianz haar standpunt herziet.

Op 1 december 2004 laat Allianz weten dat zij haar standpunt handhaaft. Er zal niet worden uitgekeerd.

In 2005 corresponderen Allianz en eiser – desondanks – over de hoogte van de schade.

Bij brief van 2 juli 2009 maakt eiser opnieuw aanspraak op uitkering. Vervolgens dagvaardt hij Allianz.

Allianz stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van eiser is verjaard. In dit verband wijst Allianz op een bepaling in de verzekeringsvoorwaarden die als volgt luidt: ‘Elk recht op schadevergoeding verjaart door verloop van 3 jaren na de gebeurtenis.’

Volgens Allianz kan de laatste mogelijke stuiting van eiser worden gedateerd op 16 maart 2005.

Allianz voegt hieraan toe dat de vordering van eiser ook is verjaard onder toepassing van het nieuwe verzekeringsrecht, dat op 1 januari 2006 in werking is getreden. Het gaat om art. 7:942 BW, zoals dit artikel luidde in de periode 1 januari 2006 tot 1 juli 2010. Van dit artikel kan in de verzekeringsvoorwaarden niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken (zie art. 7:943 lid 2 BW).

Eiser betwist dat zijn vordering is verjaard.

Het Hof Den Haag overwoog in een arrest van 1 april 2014 dat de vordering van eiser is verjaard. Eiser wendde zich daarop tot de Hoge Raad.

De oude tekst van art. 7:942 BW en art. 68a Overgangswet NBW

Art. 7:942 BW luidde in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2010 als volgt:

  1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Niettemin verjaart de rechtsvordering bij verzekering tegen aansprakelijkheid niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen de verzekering dekking verleent, binnen de voor deze geldende verjarings- of vervaltermijn is ingesteld.
  2. De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.
  3. In geval van afwijzing verjaart de rechtsvordering door verloop van zes maanden.’


Deze bepaling, die per 1 januari 2006 werd ingevoerd, had op grond van art. 68a lid 1 Overgangswet NBW onmiddellijke werking.

Het arrest van de Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt het volgende in rechtsoverweging 3.4.2:

“Ingevolge art. 68a lid 1 Ow NBW heeft art. 7:942 (oud) BW onmiddellijke werking, hetgeen betekent dat vanaf het tijdstip waarop art. 7:942 (oud) BW in werking is getreden – als gezegd 1 januari 2006 – het nieuwe recht geldt ten aanzien van de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de termijn. De verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW vangt pas aan nadat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de door art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze. Zie aldus de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 14 aangehaalde passage in de MvT op de Invoeringswet titel 7.17 Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 22-23).
Het hof heeft echter niet vastgesteld dat Allianz de aanspraak op uitkering van [eiser] heeft afgewezen met inachtneming van het in art. 7:942 lid 2 (oud) BW bepaalde. Zonder nadere motivering is dan ook onbegrijpelijk hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat de op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn – waarbij het hof kennelijk het oog had op de hiervoor in 3.2.2 genoemde contractuele verjaringstermijn van drie jaar, die is aangevangen nadat (naar in cassatie tot uitgangspunt dient) [eiser] op 16 maart 2005 volgens het destijds geldende recht een rechtsgeldige stuitingshandeling had verricht – was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop namens [eiser] op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de schade.”

Allianz had na 1 januari 2006 – op deze datum liep er nog een verjaringstermijn omdat eiser op 16 maart 2005 een stuitingshandeling had verricht – rekening moeten houden met het toen nieuw ingevoerde lid 2 van art. 7:942 BW (oud). Allianz had de aanspraak van eiser ondubbelzinnig moeten afwijzen onder verwijzing naar het gevolg dat wordt genoemd in het toenmalige lid 3 van art. 7:942 BW (oud). Nu Allianz dat niet heeft gedaan, is er geen nieuwe verjaringstermijn gaan lopen (zie de tweede zin van art. 7:942 lid 2 BW (oud)).

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof Den Haag van 1 april 2014 en verwees het geding naar het Hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Wordt vervolgd dus!

Slotsom

Het huidige art. 7:942 BW kent (nog steeds) ingewikkelde aspecten. De zojuist besproken Hoge Raad-uitspraak lost dat niet op. Art. 7:942 is meermaals gewijzigd door de wetgever. Er is over dit artikel veel geschreven in de juridische literatuur, maar de lezer moet oppassen; ieder tijdschriftartikel kan betrekking hebben op een verouderde versie van art. 7:942 BW.

Heeft u een of meerdere vragen met betrekking tot verjaring binnen het verzekeringsrecht? De sectie verzekeringsrecht van JPR Advocaten helpt u graag.

U leest het arrest van de Hoge Raad hier.

U leest de conclusie van A-G De Vriesch Lentsch-Kostense hier.



Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: