Menu
JPR Advocaten

Grenzen aan privacybescherming bij letselschade

Geschreven op 8 november 2016  •  Auteur: Bart Holthuis
Grenzen aan privacybescherming bij letselschade

In drie recente uitspraken hebben tuchtrechters grenzen gesteld aan de privacybescherming in de letselschadepraktijk ten aanzien van (medische) second opinions. Deze uitspraken hebben ook gelding voor de verzekeringspraktijk.

Zo heeft het Hof van Discipline, de hoogste tuchtrechter voor advocaten, op 26 augustus 2016 bepaald dat een advocaat mag meewerken aan het inschakelen van medici voor een contra-expertise voor de toetsing van een onafhankelijke expertise zonder daarvoor de toestemming van de klaagster (letselschadeslachtoffer) nodig te hebben. Het in art. 16 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens opgenomen verbod om persoonsgegevens te verwerken geldt, aldus het Hof van Discipline, niet voor zover dit noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte (art. 23 onder c WBP). Weerlegging van een medische expertise is immers alleen mogelijk door het uitbrengen van een contra-expertise, aldus het Hof van Discipline.

In 2009 kreeg een advocaat in een soortgelijke klachtzaak nog een waarschuwing van het Hof.

Slachtoffer op de hoogte stellen hoeft niet

Ook bepaalde het Hof dat het letselschadeslachtoffer niet op de hoogte behoefde te worden gesteld van de contra-expertise. Of deze in een dergelijk geval een blokkeringsrecht heeft, is in het civiele recht onvoldoende uitgewerkt. Het uiteindelijk oordeel daarover is aan de civiele rechter.

Eerder had het Regionaal Tuchtcollege Groningen al uitgemaakt dat in geval van een contra-expertise het blokkeringsrecht niet geldt. Algemeen is, aldus dit college, aanvaard dat het letselschadeslachtoffer niet op de hoogte behoeft te worden gesteld van het later opstellen van een (eenzijdig) partijrapport, hetgeen ook heeft te gelden voor een medische rapportage.

De voor een contra-expertise ingeschakelde externe medicus mag daaraan meewerken zonder dat deze zich ervan behoeft te vergewissen of het letselschadeslachtoffer daarvoor toestemming heeft verleend, aldus twee Regionale Tuchtcolleges (wederom RTG Groningen, 21 juli 2015 en RTG Den Haag, 19 januari 2016, ECLI:NL:TGZRSGR:2015:173).

Zwaarwegend belang van de arts

RTG Groningen vond dat de arts die aangesproken wordt een dermate zwaarwegend belang heeft dat doorbreking van de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is. Aldus mag hij eenzijdig en zonder toestemming en medeweten van de patiënt een partijdeskundige inschakelen. Het blokkeringsrecht van de patiënt is, aldus dit tuchtcollege, niet van toepassing, terwijl anonimisering van de rapportage niet nodig was.

RTG Den Haag stelde vast dat het beroepsgeheim van de arts, vastgelegd in art. 88 Wet BIG]1  en art. 7:457 BW, bepalingen meebrengt voor de arts die de medische gegevens onder zich heeft en niet geldt voor de medische contra-expert. Deze behoeft ook niet te verifiëren of de patiënt toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van de gegevens. Ook het vermelden van naam en geboortedatum van de onderzochte persoon vond dit Tuchtcollege geen schending van de privacy van de patiënt.

Wettelijke grondslag

Al met al is met de uitspraak van het Hof van Discipline duidelijk dat een advocaat zonder toestemming van zijn wederpartij ter beoordeling en/of versterking van de procespositie van zijn cliënt een medische second opinion mag laten uitbrengen. Of dat ook voor artsen c.q. medisch adviseurs bij verzekeraars geldt, is nog niet helemaal duidelijk. Het wachten is op een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. In de Beroepscode voor Geneeskundig Adviseurs is de mogelijkheid van het raadplegen van een andere arts als mogelijkheid vastgelegd (art. 8.4b). De hier besproken uitspraken van de Regionale Tuchtcolleges Groningen en Den Haag zijn in lijn hiermee. Art. 21 WBP levert ook een wettelijke grondslag voor de door deze colleges goedgekeurde verwerking van de gezondheidsgegevens in het kader van een contra-expertise.

Saillant detail: het RTG Groningen overwoog (in 4.2) dat de betrokken contra-experts onderdeel zijn geworden van een functionele eenheid van personen die noodzakelijkerwijs betrokken waren bij het doel waarvoor de medische gegevens zijn verstrekt. Het begrip functionele eenheid, dat sinds de invoering van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen 2010 een zieltogend bestaan leidt]2, lijkt herboren uit zijn as.


]1 Wet Beroepen Intramurale Gezondheidszorg
]2 Vgl. ook mr. A. Wilken, Tijdschrift voor Personenschade 2010, nr. 4, pag. 93 e.v.


Bart Holthuis
Mr. B. Holthuis

Bart Holthuis is advocaat bij JPR Advocaten in Deventer en werkzaam in het Verzekeringsrecht. Zijn specialisaties binnen dit rechtsgebied zijn: verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht en letselschade. Bart is sinds 1980 actief als advocaat.

Contact opnemen met JPR

Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: