Menu
JPR Advocaten

De (on)geoorloofdheid van het uitzendbeding

Geschreven op 4 februari 2019  •  Auteur:
De (on)geoorloofdheid van het uitzendbeding

Uitzendbeding

Artikel 7:690 BW vermeldt de definitie van de uitzendovereenkomst. Een uitzendovereenkomst is een bijzondere arbeidsovereenkomst, waarbij het uitzendbureau in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf de werknemer ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming. De werknemer verricht de arbeid onder toezicht en leiding van de inlener. Enkele bijzondere regels voor de uitzendovereenkomst zijn in artikel 7:691 BW opgenomen. Eén van deze regels betreft het uitzendbeding. Dit is een beding inhoudende dat de overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de inlener op verzoek van de inlener om welke reden dan ook ten einde komt.
 
De uitzendwerkgever kan dit beding gedurende 26 weken inroepen. Bij cao kan deze termijn echter worden verlengd tot ten hoogste 78 weken (anderhalf jaar). De Algemene Bond van Uitzonderondernemingen (ABU) en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) hebben van deze laatste mogelijkheid gebruik gemaakt en tevens het beding verruimd. Beide cao’s bevatten een regeling die tot effect heeft dat bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer diens arbeidsovereenkomst met de uitzondonderneming automatisch wordt beëindigd.

Discussie

In literatuur is de rechtsgeldigheid van een dergelijke bepaling met enige regelmaat onderwerp van discussie. Diverse auteurs vuren pijlen af op het uitzendbeding. Eén van de pijlen richt zich op het opzegverbod bij ziekte dat een werknemer beoogt te vrijwaren van de (extra) psychische druk die een ontslag tijdens ziekte kan meebrengen. Vóór de invoering van de Wet werk en zekerheid was het uitzendbeding bij ziekte een bij cao toegestane afwijking van het wettelijke opzegverbod in de zin van artikel 7:670 lid 3 oud BW. Sinds de invoering van deze wet is dit niet meer mogelijk, aangezien het opzegverbod bij ziekte van dwingend recht is geworden. Hierdoor is het niet meer mogelijk om bij cao van dit opzegverbod af te wijken. Desalniettemin is tot groot ongenoegen van enkele auteurs het uitzendbeding bij ziekte of arbeidsongeschiktheid nog altijd in de cao’s van de ABU en NBBU opgenomen.

Rechtszaak gerechtshof Den Haag

Een zieke werknemer wiens fase 2-uitzendovereenkomst onder verwijzing naar het uitzendbeding dat in artikel 13 lid 3 van de NBBU-cao is opgenomen, is beëindigd, betwist de rechtsgeldigheid van dit beding. Hij besluit de uitzendwerkgever in rechte te betrekken. De betreffende werknemer is sinds 12 mei 2014 op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam als machine operator. Door een arbeidsongeval moeten twee vingers van zijn rechterhand deels worden geamputeerd. Het uitzendbureau heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende uitzendovereenkomst op dat moment met onmiddellijke ingang is beëindigd. De werknemer is immers niet meer in staat de bedongen arbeid te verrichten. Vanaf 15 mei 2016 heeft de werknemer zijn werkzaamheden hervat voor 20 uur per week. Eind augustus 2016 is hij echter volledig uitgevallen. Volgens de werknemer is het uitzendbeding, inhoudende dat zijn arbeidsovereenkomst per direct eindigt bij arbeidsongeschiktheid, niet rechtsgeldig. In het verlengde daarvan verzoekt de werknemer het gerechtshof Den Haag zijn ontslag te vernietigen alsmede betaling van achterstallig loon.
 
Het antwoord op de vraag inzake de rechtsgeldigheid van het uitzendbeding bij ziekte zal nog op zich laten wachten. Het gerechtshof Den Haag besluit op 4 december 2018 zijn beslissing over de rechtsgeldigheid van het uitzendbeding bij ziekte aan te houden. De beoordeling ten aanzien van dit onderdeel kan volgens het gerechtshof in het midden blijven als komt vast te staan dat een uitzendovereenkomst fase 3 is gesloten toen de werknemer na de operatie zijn werkzaamheden (deels) heeft hervat. Het uitzendbeding is immers niet geldig bij een fase 3-uitzendovereenkomst. Deze laatste overeenkomst zou dan op 2 oktober 2016 rechtsgeldig geëindigd zijn. Het is nu aan de uitzendwerkgever om dit te bewijzen. We houden u graag op de hoogte van het vervolg.

De ontwikkelingen in de rechtspraak over het uitzendbeding dienen de komende periode nauwlettend in de gaten te worden gehouden. De eventuele beslissing dat een dergelijk uitzendbeding niet rechtsgeldig is, heeft immers grote gevolgen voor de gehele uitzendbranche. Heeft u vragen over het uitzendbeding? Dan kunt u contact opnemen met één van onze arbeidsrechtspecialisten.  

 

 



Op de hoogte blijven?
Meld u aan voor de nieuwsbrief: