25-05-2011
Inhoud:
Op 24 mei jl. heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanvaard, waarbij de beperkte opbouw van minimum vakantierechten...
In 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) in enkele arresten (de gevoegde zaken Schultz-Hoff, C-350/06 en Stringer, C-520/06 alsmede Pereda, C-277/08) de zogenaamde arbeidstijdenrichtlijnen uitgelegd met betrekking tot vakantierechten bij ziekte.
Opbouw van vakantierechten
In deze wet wordt geen onderscheid meer gemaakt in opbouw van minimum vakantierechten voor zieke en gezonde werknemers. De beperkte opbouw van vakantierechten voor gedeeltelijk en geheel arbeidsongeschikte werknemers, nu nog geregeld in artikel 7:635 lid 4 BW, wordt geschrapt. Zieke werknemers krijgen daardoor dezelfde aanspraken op minimum vakantie als andere werknemers.
Met de invoer van deze wet zal de Nederlandse wetgeving in overeenstemming zijn gebracht met de uitleg van het HvJEG van de zogenaamde arbeidstijdenrichtlijn. Aan de wet wordt wel onmiddellijke werking toegekend, maar geen terugwerkende kracht. Vanwege de rechtszekerheid heeft de wetgever dat niet gewenst. De vraag is of in de periode liggende tussen de hiervoor genoemde arresten van het HvJEG (Schultz-Hoff, Stringer en Pereda) en 1 januari aanstaande een zieke werknemer met een rechtstreeks beroep op arbeidstijdenrichtlijn opbouw over de volledige periode van ziekte (waarin hij aanspraak heeft op salaris) af zou kunnen dwingen.